Google+ Followers

donderdag 15 september 2016

Boekjes onder bankjes en op torens

Hoe ziet een zelfschrijvend boek eruit? Ik heb er twee gekend. 

Eén van de fijnste mogelijkheden van de lente en zomer is het bankhoppen. In de 'mooi weer periodes', loop ik regelmatig met een boek in de hand een eindje richting een groene zone om neer te ploffen op één van de beschikbare houten bankjes. Terwijl ik een poging doe verder te komen in mijn meegebrachte boek, kijk ik ook vaak naar het bewegende breedbeeld voor me: een joggende moslima gewikkeld in een Noordpoolproof winterjas, een meisje dat een speurtocht aan het uitzetten is of een sjokkende pony die plichtsgetrouw een paardenmeisje meesjouwt op de rug. Af en toe schuift er een bankgenoot aan voor een spontaan gesprek.

Voor mij is parkbankzitten een diepgewortelde traditie, die me laat dagdromen, reflecteren, ontspannen en verrassen. Pas vroeg ik me af wat er in de hoofden omgaat van alle medebankgenoten. Wat is hun verhaal? Waarom komen ze naar een park om daar op een hard bankje te zitten terwijl ze ook thuis in hun ergonomische fauteuil hadden kunnen blijven zitten, met voeten op de poef? Ik besloot een boekje onder de zitting van mijn lievelingsbankje vast te binden om meer te weten te komen over het onzichtbare bankjesgenootschap dat ook gebruik maakt van mijn lievelingsbankje. Ik schreef zelf de eerste entry, hieronder de eerste pagina:



Ik maakte het boekje vast aan de onderste plank en vertrok. Een kinderlijke avontuurvlaag stroomde door me heen. Het spannende zit hem in het anonieme en de moderne biechtvorm: doordat je je identiteit niet onthult, kun je schrijven wat je wilt, zonder rekening te houden met reputatieschade. Ook het indirecte intrigeerde me: op een voor mij onbekend moment, schrijft iemand die ik niet ken een voor mij onbekend verhaal. Ik zag het al helemaal voor me, in het boek onder de bank zou een geheim genootschap van bankvrienden samenkomen, een genootschap dat elkaar in de echte wereld niet zou herkennen.

Toen ik na een paar dagen terugkwam bij het bankje om te checken of andere banknomaden vol enthousiasme hun polsen lam hadden geschreven, kwam ik bedrogen uit. Van het boekje was geen spoor te bekennen. Ik zocht het hoger op. In de plaatselijke uitkijktoren in een hardlooppark. Zelfde concept, ander boekje. Dit boekje liep als een trein: af en toe kwam ik even langs om te zien hoe het boek in de tussentijd had doorgeschreven. Er zaten ontroerende passages tussen: een - aan het handschrift te zien - meisje schreef dat ze iedere avond naar de toren kwam in de hoop dat ze daar, door een speling van het lot, haar grote maar nog onbekende liefde zou tegenkomen. De realiteit was bitter, nog steeds was ze eenzaam en er had zelfs nog nooit iemand omhoog gekeken terwijl zij op te toren stond. Een andere torenbeklimmer schreef dat hij niet leefde om dood te gaan, maar dood wilde gaan voor het leven. Ik was zo enthousiast over mijn volautomatisch schrijvende boek, dat ik al illusies koesterde over het luxeprobleem wat ik zou moeten doen als het boekje ooit van kaft tot kaft beschreven zou zijn. Zou ik het daar laten of zou ik het als het verlossende boekwerk over de antropologische samenstelling in mijn wijk in mijn eigen boekenkast zetten?

Bovenstaand dilemma van existentialistische proporties werd me bespaard, toen ik een paar dagen geleden een lege toren opliep. Beste meenemer van het boek, veel leesplezier.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen